Faalangst in het basisonderwijs 

drs. Ard Nieuwenbroek

Soms zorgen leerlingen voor onplezierige verrassingen. Zo vallen bij sommigen de prestaties tegen. Ondanks een prima intelligentie en goede ijver zijn de resultaten onder niveau. Het valt vaak niet mee oorzaken voor deze te¬genval¬ler te vinden. Zo kan er sprake zijn van een minder gelukki¬ge leerstijl, anderstaligheid, leerproblemen of mis¬schien moeilijkheden thuis. In dit lang niet volledige rij¬tje hoort ook faalangst.
Het kenmerkende van faalangst is, dat deze angst slechts optreedt in bepaalde toestanden. Vandaar de naam: angst als toestand. Faalangst treedt slechts op in bepaalde situaties of bij bepaalde ge¬beurte¬nissen. Het is, als het ware, een afgeba¬kende angst die je kunt benoemen. Het heeft ergens mee te maken. Een tweede belangrijk kenmerk van faal¬angst is, dat er sprake moet zijn van het min of meer verplicht uit¬voe¬ren van een bepaalde taak, ofwel opdracht.
Samengevat: Faalangst is een angst als toestand, die met name voorkomt in situaties waarin mensen taken worden opge¬dragen.

Soorten faalangst
Faalangst is een angst, die ervoor zorgt dat kinderen onder hun niveau presteren. De school, als onderwijsinstituut, zit vol taakopdrachten voor kinderen. Het is dan ook niet zo gek, dat faalangst vooral in school veel voor¬komt. De laat¬ste onderzoekscijfers spreken zelfs over zo'n tien pro¬cent van alle leer¬lin¬gen. Dit betekent dat in iedere groep er min¬stens drie leerlingen last van faal¬angst hebben. Uitgaan¬de van de taak¬opdrachten, die immers kenmerkend zijn voor faal¬angst, on¬derscheiden we drie soor¬ten faalangst:

Cognitieve faalangst
Dit is faalangst, die te maken heeft met het leren. De taak¬opdracht bij deze faalangst is de leerop¬dracht, die door de leerkracht aan leerlingen wordt gegeven. Zo'n opdracht kan op veel manieren gegeven worden. In feite be¬gint het al wan¬neer een leerkracht aankondigt dat in een bepaalde les er nieuwe lesstof aan bod komt. Dat roept bij hen angst op. Klamme handen, hoofdpijn, hartklop¬pingen en buikpijn maken het deze leerlingen dan niet gemak¬kelijk om de nieuwe les¬stof te vol¬gen. Uiteraard is het toppunt van cognitieve faalangst het proefwerk of overhoring. Cognitieve faalangst komt voornamelijk voort uit taakop¬drachten, die te maken hebben met het schoolse leren. Het betreft het oppakken van nieuwe leerstof, als wel het toet¬sen van bestudeerde stof.

Sociale faalangst
Kinderen trekken op school de hele dag met elkaar op in groepsverband. Voor de een is dat heerlijk, voor een ander een ramp. Voor een doelmatige manier met klasgenoten optrekken is heel wat nodig. Je moet bijvoorbeeld weten hoe je een beetje meetelt in de groep. Of juist hoe je niet al te veel opvalt. Kinderen hebben op school niet alleen te maken met klasgeno¬ten. Leerkrachten zijn uiteraard een andere belang¬rijke gr¬oep. Een aantal leerlingen heeft problemen in hun sociale omgang met leerkrachten. Dat brengt hen in problemen bij het vragen om uitleg. Of gewoonweg het feit, dat ze bij een leerkracht ant¬woord moeten geven bij een overhoring.

Motorische faalangst
Er zijn kinderen, die er vreselijk tegenop zien iets met hun lijf te moeten doen. Het beste voorbeeld is gym¬nastiek.
Sommige kinderen verkrampen letterlijk bij het binnenkomen in de gymnastiekzaal. Ze zien de gymtoestellen als gevaar¬lijke instrumenten, waar weinig goeds van te verwachten valt. Zelfs met hulp van een leerkracht durven ze de meest eenvoudige toestelopdrachten niet aan. En dat terwijl ze geen lichamelijke gebreken hebben. De angst om te mislukken zorgt echter voor een verkrampte houding.

Herkennen van faalangst
Door goed te kijken en te luisteren naar leerlingen kunnen leerkrachten signalen opvangen, die wijzen op faalangst. Als ze taken krijgen hebben ze niet alleen last van licha¬me¬lijke reacties, zoals buikpijn, zweten, misselijkheid en hoofd¬pijn, maar ontwikkelen ook een eigen manier van denken. Dan horen leerkrachten opmerkingen, die voortkomen uit de vol¬gende thema's:

Negatief zelfbeeld
Deze kinderen denken negatief over zichzelf en hun capaci¬teiten. Ze kunnen het bijna niet geloven, dat bij een toets er wel degelijk iets positiefs uit de bus rolt. Zo iets als: eens mislukt, altijd mis¬lukt. Als een faalangstige leerling een ¬opgave voor zich ziet, kijkt hij meteen naar wat hij niet kan.

Tunneldenken
Faalangstige kinderen hebben vaak last van tunneldenken. Hun hele gedachtenwereld wordt beheerst, als rijdend in een tun¬nel, door de eerstvolgende toets. Er lijkt nauwe¬lijks ruimte om aan iets anders te denken. Zeker niet aan iets leuks of positiefs, ook als dat op een heel ander ter¬rein ligt.

Ik -gericht
In gesprekken wordt al snel duidelijk, dat een faalangstig kind denkt de enige te zijn, die last heeft van faal¬angst. Kennelijk ziet zo'n leer¬ling niet, dat er - bijvoorbeeld in zijn groep - meerdere leerlingen zijn met hetzelfde probleem. Nu is dat niet zo verwonder¬lijk. Kinderen praten niet graag met elkaar over hun proble¬men, zeker niet als die in een groep leeftijdgenoten worden gezien als "kinderach¬tig". Dus zijn kinderen er meestal op uit dit soort gevoe¬lens voor zich¬zelf te houden, en er zeker niet mee te koop te lopen.

Mislukkingen voorkomen
Faalangstige kinderen besteden veel energie om te bedenken hoe mislukkingen te voorkomen. Vanuit die gedachten kan een faal¬angstig kind ofwel te gemakke¬lijke ofwel te moei¬lijke opdrachten kiezen. Immers: bij beiden kun je nauwelijks be¬oordeeld worden en dus niet mislukken. Als een opdracht te moeilijk is, dan kan niemand van jou een perfecte uitvoering ver¬wachten. Kies je echter een te gemakke¬lijke taak, dan heeft beoordeling evenmin zin; deze taak is namelijk voor jou te simpel. Zou een kind echter gekozen hebben voor een taak van een gemid¬delde moeilijkheids¬graad, dan kan het wel beoordeeld worden. Maar dan loopt het ook het risico van een misluk¬king. Bij te moeilijke en/of te gemak¬ke¬lijke taken ben je onbeoordeelbaar en kun je dus niet mislukken.

Succes ligt niet aan mij
Als een faalangstig kind op school succes boekt, dan kan het dat bijna niet geloven. Op zo'n moment zegt het tegen de buiten¬wereld (en zichzelf), dat de toets toch wel erg gemak¬kelijk was. De eigen inbreng van de leerling wordt hiermee, door hemzelf, erg klein gemaakt. Op dezelfde manier verklaart een faalang¬stige leerling zijn succes: hij heeft geluk gehad. Niet ken¬nis en vaar¬digheid hebben voor dat hoge cijfer gezorgd. Neen: "Toevallig heb ik goed gegokt toen ik het niet meer wist!".

Begeleiden van leerlingen
Een leerkracht heeft veel invloed op de wijze waarop leer¬lingen omgaan met faalangst. Die in¬vloed is vooral merkbaar bij het lesgeven (inclusief toet¬sing van kennis) en de com-municatie¬patronen in de dage¬lijkse omgang tussen leerkracht en leer¬ling. Beide bieden mogelijkheden een pedagogisch-di¬dactisch groeps¬klimaat te scheppen, waarin leerlingen kunnen leren goed om te gaan met faalangst. Negatiever geformu¬leerd: het voorkomt dat leer¬lingen faalangstig wor¬den.

Lesgeven
Het overbrengen van kennis vormt een belangrijke taak voor iedere leerkracht. Faalangstige leerlingen zien in een
nieu¬we opdracht meestal iets bedreigends, nieuwe moge¬lijkhe¬den tot misluk¬ken. Bovendien twijfelen ze aan hun ei¬gen mo¬gelijkheden nieuwe kennis op te nemen. Bij de instruc¬tie van nieuwe leerstof kan een leerkracht op verschillende manieren een positieve invloed uitoefenen. Te denken valt aan het formuleren van een doelstelling, afgepaste instructiemomen¬ten en tussendoor kleine verwerkingstaken.

Communicatie
De interactie tussen leerkracht en leerling(en) bepaalt in hoge mate het al of niet faalangstig zijn van leerlingen. Er zijn mogelijkheden om in de communica¬tie het pedago¬gisch klimaat positief te beïnvloeden.
Faalangst is menselijk, praat erover in de klas
Leerkrachten kun¬nen leerlingen laten merken dat faalangst ge¬woon bij het alle¬daag¬se leven hoort, maar dat sommigen er moeilijk mee om kun¬nen gaan. Waardoor faalangst negatieve gevolgen heeft. Als leerlingen beseffen en ervaren, dat ie¬der levend wezen momenten van faalangst kent, scheelt dat veel in hun eigen beleving daarvan. Het maakt hen minder uniek in de 'pijn van het leven'.
Mislukken mag
Faalangstige kinderen hebben een aparte gevoeligheid ontwik¬keld waarmee ze de omgeving steeds horen zeggen: "Iets niet kunnen kan niet" oftewel: "Mislukken mag niet". De innerlij¬ke drang naar perfectionisme is groot en niet realistisch. Immers: geen enkel mens is in staat om zonder fouten door het leven te gaan. En toch 'geloven' deze leerlingen in bo¬venstaand motto, wat hen uiteraard steeds faalangstiger maakt. Want ook zij zullen af en toe mislukken, en die erva¬ring, welke in strijd is met het heersende motto, brengt hen dieper in de put. Leerkrachten kunnen helpen door dit motto te nuan¬ceren.
Bij een aardrijkskundeles schrijft de leerkracht de hoofd¬stad van een land verkeerd gespeld op het bord. Vrijwel on¬middellijk reageert de klas met enig gegrinnik, dat door de leerkracht wordt opgemerkt. Als ook hem duidelijk is dat de hoofdstad met een spelfout op het bord is geschreven reageert hij met de opmerking: "Tja, ik wilde even controle¬ren of jullie nog wel echt opletten. Nu kan ik die fout met een gerust hart verbeteren".
Met dit antwoord laat de leerkracht, misschien onbedoeld, merken dat 'fouten -maken' niet mag.
Acceptatie van leerlingen niet afhankelijk maken van pres¬ta¬ties
Faalangstige kinderen hebben vaak het idee, dat de accepta¬tie van henzelf door leerkrachten afhankelijk is van de ge¬leverde prestaties. Anders gezegd: als ik slecht presteer ben ik een 'minder kind' dan wanneer ik goede resultaten behaal.
Zoek evenwicht tussen negatieve en positieve reacties
In de dagelijkse omgang tussen leerkracht en leerling krijgt de laatste regelmatig negatieve reacties op zijn gedrag. Dat is onvermijdelijk en ligt besloten in de (bij)sturende taken van opvoeden en leren. Faalangstige kinderen hebben vaak alleen maar aandacht voor negatieve opmerkingen over hun gedrag. Ook al worden er po¬sitieve kanttekeningen gemaakt: deze vallen in het niet bij de negatieve bemerkingen. Eer¬der beschreven we hoe negatieve opmerkingen faalangst -oproe¬pend kunnen zijn. Zeker als een leerling in zijn omgeving vooral te maken heeft met ne¬gatieve opmerkingen omtrent diens func¬tioneren. Leerkrachten kun-nen zich afvragen in hoeverre, in de dagelijkse omgang met leerlingen, een zeker evenwicht bestaat tussen posi¬tieve en negatieve opmer¬kingen naar kin¬deren toe. Het is vaak verrassend te merken hoe ne¬gatieve opmerkingen over¬heersen. En hoe kansen voor positie¬ve opmer-kingen ongebruikt blijven. Het is onze overtuiging, dat een beter evenwicht tussen negatieve en positieve opmer¬kingen leidt tot minder faalangst. 
 


IKC 't Palet 

Gedempte Biersloot 3 d
3131 HJ Vlaardingen


Afd. onderwijs: 010-4342697


Peuterspeelzaal: 010-30 33 741

Elmo:010-30 33 742

Koekimonsters: 010-30 33 743

Ernies: 010-30 33 744  

BSO: 010 30 33 745

Partners











Scholen:
© 2014 -  IKC  't Palet Locatie Centrum
Gedempte Biersloot 3 d,  3131 HJ, Vlaardingen - Telefoon: (010)4342697 - E-mail: directie.centrum@palet.info